Ga naar de inhoud

1958 t/m 1960 - Nieuw project 2

Menu overslaan
Menu overslaan
Periode 1958/1960

LIMOS  

Luchtmacht Instructie en Militaire Opleidingen School   Het was in het jaar dat ik twintig
werd, dat het onvermijdelijke zich aandiende: de militaire dienst. Voor veel jonge mannen
destijds een vanzelfsprekend hoofdstuk in het leven, al kon men zich er soms aan onttrekken
— door broederdienst of andere geldige redenen. Mijn jongere broer Daan werd vanwege
eerstgenoemde reden vrijgesteld. Voor mij echter wachtte het ongeschreven pad. Op de
ochtend van 6 mei 1958 stond ik op het station van Schiedam. Mijn tas bij de hand, mijn blik
op de rails gericht, gereed om mij te melden in Nijmegen. Het begin van een onbekend
avontuur. Bij aankomst werden we opgevangen door militairen met één of twee strepen op
de mouw, die ons met luid stemgeluid en kordate bevelen meteen duidelijk maakten dat dit
geen vrijblijvende onderneming was. Gehoorzaamheid en discipline waren vanaf dat
moment niet langer begrippen, maar wetten.
De opleiding tot geoefend soldaat, zoals men het noemde, ving aan. Drie maanden lang
werden wij gevormd en gedrild. Wat daarna zou volgen, was onzeker: een plaatsing ergens
in het land, afhankelijk van geschiktheid en achtergrond. Sommigen kregen technische
opleidingen, anderen werden ingeschakeld in ondersteunende functies, zoals het militaire
hospitaal. Twee weken na de start kreeg ik last van een ontsteking aan mijn rechter
middelvinger — een op het eerste gezicht onschuldige bloedblaar maar bleek, het was fijt,
wat toch wel pijnlijk was en een operatie noodzakelijk maakte. Zes weken lang liep ik met
mijn hand in het verband, veroordeeld tot een leven in de kantine. Toen ik uiteindelijk
terugkeerde naar de groep, probeerde ik de draad op te pakken, maar het mocht niet baten.
Een vaccinatie leidde tot langdurige koorts; opnieuw belandde ik in het hospitaal, dit keer
voor een week. Toen ik weer voldoende was hersteld, werd ik ontboden bij de commandant.
Hij bood me een plaats aan in Schaarsbergen, waar ik zou worden opgeleid tot radarmonteur.
Verbaasd keek ik op. "Radarmonteur? Maar daar heb ik geen enkele ervaring mee," zei ik. De
commandant bleef onverstoorbaar: "Je hebt een test afgelegd waarin je aanleg voor deze
richting bleek." Vervolgens vroeg hij: "Wat zou jij dan willen doen?" In de weken van mijn
herstel had ik de drumband en de muziekkapel vaak horen repeteren op het exercitieterrein.
Zonder aarzeling antwoordde ik: "Ik wil graag bij de drumband en muziekkapel." De
commandant haalde meteen de vaart uit mijn enthousiasme. "Zo simpel is het niet. Dit is de
Luchtmachtkapel. Alleen muzikanten met ervaring worden hier toegelaten." Ik legde uit dat
ik sinds mijn negende jaar tamboer was en meerdere instrumenten speelde. Hij knikte
bedachtzaam. "Dan moet je getest worden." En zo geschiedde. Terwijl ik wachtte op het
resultaat, brak de periode aan waarin de voorbereidingen voor de Vierdaagse in volle gang
waren. Dat betekende ruimte maken voor buitenlandse militairen. Met volle bepakking
vertrokken we naar Heumensoord, waar grote legertenten onze tijdelijke onderkomens
vormden.
Net toen ik een plekje had gevonden, werd ik opnieuw opgeroepen door een commandant.
"Je spullen pakken," zei hij, "je moet je melden bij de Prins Hendrikkazerne in Nijmegen — bij
de drumband van de Koninklijke Luchtmachtkapel." Een golf van opwinding overspoelde me.
Zonder één nacht in de tenten te hebben geslapen, keerde ik terug naar de Prins
Hendrikkazerne. Daar, waar de muren vol muziek hingen, werd ik naar het gebouw geleid
waar de klanken vandaan kwamen. In elke ruimte werd geoefend; het was een huis vol ritme,
toon en cadans. Toen ik de oefenruimte van de drumband betrad, trof ik zo'n dertig
muzikanten aan, sommigen aan het kaarten, anderen lui achterover op hun bed. De
sergeant-majoor/instructeur heette me welkom en verzocht me dringend de verschillende
marsen — het waren er nogal wat — zo snel mogelijk onder de knie te krijgen, zowel die van
de drumband als die van de kapel.
Dit is Taptoe Delft 1959. Ik loop hier als eerste achter de Tamboer-Maitre in de middelste
rij.
Binnen enkele weken begon de voorbereiding op Taptoe Delft. Er waren slechts 23 plaatsen
beschikbaar; sommigen vielen af. Ondanks mijn korte aanwezigheid werd ik geselecteerd.
Ook de choreografie voor de show moest ik mij eigen maken. Het waren intensieve maar
schitterende dagen. Na de wekenlange legering op vliegveld Ypenburg, ter voorbereiding op
de Taptoe, kwam er opnieuw een bijzonder verzoek: of ik, bij afwezigheid van de sergeant-
majoor/instructeur, de nieuwelingen wilde begeleiden. Ik werd benoemd tot
plaatsvervangend Tamboer-Maîtr
De kazerne waar ik zo vaak om klokslag negen uur ’s avonds de taptoe blies op mijn trompet,
staat me nog helder voor de geest. De toegangspoort — sobere bewaker van zoveel
herinneringen — roept nog altijd beelden op van de echo’s in de gangen, het marcheren op
het binnenplein, en de gezichten van kameraden met wie ik het ritme van de dagen
deelde. In de stilte van de avonden, als de instructeur er niet was en de gangen leeg leken,
vond ik troost bij mijn pen en papier. Daar componeerde ik mijn eigen melodieën, mijn eigen
marsen — klanken die een leven zouden leiden buiten deze muren, in de stad die ik mijn thuis
noemde. Op een dag kreeg ik een kans die velen zouden omarmen: een aanbod om naar het
conservatorium te gaan. Een droom, zo tastbaar als de adem op een koude ochtend. Maar
diep vanbinnen wist ik het: mijn plicht lag elders. Mijn hart was verankerd in Schiedam. En
dus sloeg ik het aanbod af. Niet uit spijt, maar uit overtuiging. Sommige kansen komen maar
eenmaal, maar andere wegen zijn even waardevol. En zo sta ik vandaag bij diezelfde
toegangspoort. De poort tot een verleden dat leeft in mijn herinneringen. De avonden
waarop ik de taptoe blies, het geluid dat over het terrein rolde als een laatste groet aan de
dag. Het waren dagen vol kameraadschap, muziek en verhalen. Dagen die ik koester als een
kostbaar boek in de kast van mijn geheugen. En al behoren mijn dienstjaren tot het verleden,
de echo van mijn marsen klinkt nog steeds door de straten.. Want zoals het gezegde luidt:
"Het leven is als een mars, soms moet je de maat veranderen, maar de melodie gaat altijd
door."
Terug naar de inhoud