Ga naar de inhoud

1938 t/m 1945 - Nieuw project 2

Menu overslaan
Menu overslaan
Periode 1938/1945

Herinneringen van een Kind in OorlogstijdDe oorlog was voor mij geen kwestie van
strategie of politiek. Voor een kind van 4/5 jaar betekende het vooral kou, honger en een
verwarrende opeenstapeling van gebeurtenissen die ik maar half begreep. Alles wat ik niet
kon duiden, bleef hangen als schimmen in de mist van mijn geheugen.Het moet ergens in
1942 of 1943 zijn geweest. We leefden midden in de toenemende schaarste. Kolenkachels
verstomden, bussen reden op houtgas, en de geur van verbrand hout doordrong de lucht als
een constante herinnering aan wat we misten: warmte, voedsel, vrede.
De tijd van oorlog, een periode doordrenkt met onbegrip voor een jong kind zoals ik destijds
was. Mijn herinneringen aan die donkere dagen zijn schaars, maar een gebeurtenis staat als
een brandmerk in mijn geheugen gegrift: de dag dat ik met mijn blote billen tegen de
gloeiende kachel viel.
Ik herinner me nog levendig hoe ik op die bewuste dag op de tafel stond, mijn nieuwsgierige
blik gericht op de wereld buiten. Terwijl mijn moeder koortsachtig bezig was om het verband
van mijn verbrande huid te weken met lepeltjes water, voelde ik de intense hitte van de
kachel tegen mijn kwetsbare huid. Gelukkig zaten de EHBO-vaardigheden van mijn vader die
als vrijwilliger bij het Rode Kruis diende, diep geworteld in ons gezin. Brandzalf was geen
schaars goed in ons huis, een kleine troost te midden van de chaos van die tijd.
In de haven dobberde een boot, beladen met imposante betonnen buizen bestemd voor de
constructie van schuilkelders. Het moet ergens rond de jaren 1942 of 1943 zijn geweest dat
deze aanblik mijn jonge ogen trof, een stille getuige van de dreiging die boven ons hoofd hing.
Naarmate de oorlog voortduurde, verergerde ook onze situatie. Voedsel werd schaarser en
schaarser, terwijl de voorraad kolen langzaam slonk. Langzaam maar zeker raakten we
verstrikt in de verstikkende greep van de hongerwinter, een periode die inmiddels een
beruchte naam heeft verworven in onze geschiedenis
Het openbaar vervoer, altijd een levensader van onze samenleving, moest zich behelpen met
alternatieve brandstoffen. Achter de bussen hing een houtgasgenerator, aangedreven door
kolen of hout, die de kostbare gassen genereerde die nodig waren om de voertuigen voort te
stuwen. Een symbool van veerkracht te midden van de ontberingen, maar ook een
schrijnende herinnering aan de ontwrichting die de oorlog met zich meebracht.De strijd om
warmte en voedsel was een dagelijkse realiteit tijdens die laatste grimmige jaren van de
oorlog. Bomen werden geveld, niet voor bouwmaterialen, maar om te dienen als brandstof
voor de kachel, een spaarzaam lichtpuntje in de duisternis van de koude winteravonden. Eten
was een schaars goed, een luxe die voor velen onbereikbaar leek. Zelfs oude panden, met
hun kostbare houten balken en planken, ontkwamen niet aan de vraatzucht van de vlammen,
hun warmte een bitterzoete troost voor degenen die het zich konden permitteren.
We gingen vaak naar de spoorlijn, op zoek naar afgevallen kolen – overgebleven zwarte
diamanten tussen grind en staal. Mijn moeder, mijn broers, mijn zus en ikzelf – een kleine
stoet in de hoop iets te vinden dat ons een avond warm kon houden. Maar de spoorbaan
werd bewaakt.  
Duitse soldaten patrouilleerden op lorriekarretjes, gewapend, met priemende blikken.
Soms klonken schoten. Echte schoten. Geen dreigement, maar kogels die door de
lucht sneden en ons dwongen om dekking te zoeken achter struiken of hopen puin.
We renden, maar we bleven terugkomen. Want honger is koppiger dan angst. Mijn
jongste broertje had een ander idee van ‘zoeken naar kolen’. Hij vond het leuker om
met grote stenen te gooien. Eén keer had hij zo'n steen in een doos gestopt en ging
uitproberen hoe ver hij kon werpen. Zijn worp was indrukwekkend – het resultaat
minder. De steen raakte het brillenglas van mijn moeders bril. Eén helft was voorgoed
verdwenen. Brillenglazen waren in die dagen net zo zeldzaam als suiker of vrede. Hoe
ze het opgelost heeft, weet ik niet. Misschien liep ze weken rond met één oog op
scherp en de ander in een waas van oorlog. Op een dag stond er ineens een biels in
ons halletje – zo'n massieve houten spoorbalk. Niemand wist hoe hij daar kwam,
maar het was hout, en dus goud waard. Alleen: probeer maar eens van zo'n kolos
kachelhoutjes te maken met een botte bijl. Ik probeerde het. Even. Tot ik begreep
waar het gezegde vandaan kwam. ( Met de botte bijl hakken) Ik was zes. En ik gaf het
op. Ik heb toen snel het bijltje er bij neergelegd. De hongerwinter van 1944 kroop als
een grauw sluier over ons heen. Het voedsel verdween, de kou kroop tot in onze
botten. We aten suikerbieten. Ik kan me nog 1 keer herinneren dat we aardappelen
schillen hebben gegeten. Het kunnen ook meermalen zijn geweest maar 1keer weet ik zeker.
Die werden in plakken gesneden, gekookt tot iets wat vaag leek op soep, maar verder alle
aantrekkelijkheid miste. Geen Michelinster, geen smaak – alleen een beetje vulling. En toch
was het alles wat we hadden. Zelfs oude panden moesten eraan geloven; hun balken en
planken veranderden in brandhout voor een avondje minder kou.Soms zochten we troost bij
onze grootouders.
Hun huis voelde als een vesting, een warm bastion in een wereld die steeds kouder werd. We
luisterden naar de radio, dorstig naar nieuws dat soms hoop bood, meestal niet. En als kinderen
vonden we manieren om ons af te leiden. We speelden met wasknijpers, bouwden
katapulten van luciferdoosjes. ’s Avonds prikten we kaarten. Echt waar – met een naald.
Zitten, kaart voor je neus, ogen op een kier, en dan maar prikken. De mooiste kaarten werden
bewaard, als trofeeën van geduld.

En dan was er tante Jo.Een vrouw die je niet zomaar vergat – al wilde je dat soms wel.
Haar stem vulde het huis nog vóór je de drempel overstak. Haar aanwezigheid was alomvattend.
Ze woonde aan het Piet Heinplein in Rotterdam, een plek die klonk als avontuur maar voelde als verstikking.
Toch bleef ik daar, wekenlang. Niet omdat ik het wilde – ik durfde geen nee te zeggen. De tijden
waren anders. Gehoorzaamheid was geen keuze, maar een gegeven
Terug naar de inhoud