Ga naar de inhoud

1945 t/m 1958 - Nieuw project 2

Menu overslaan
Menu overslaan

Periode 1945/1958

Periode 1945 t/m 1958 Hoop in Harmonie – Herinneringen aan een wederopbouwende jeugd
Na de langverwachte bevrijding in mei 1945, toen de echo van oorlogsklokken verstomde en ons land zich voorzichtig oprichtte uit het puin van de bezetting, begon ook voor ons gezin een nieuw hoofdstuk. Nederland ademde weer.
Hoop vulde de straten, waar tot kort daarvoor nog angst en stilte hadden geheerst.
In februari 1946 gingen we verhuizen. De verhuizing ging toentertijd met de paard en wagen van de schillenboer. De schillenboer was iemand die dagelijks langs kwam om afval van groenten en fruit op te halen voor het vee.
Wij betrokken een woning aan de Paulus Potterstraat 55 in Schiedam – een bovenhuis met karakter, bescheiden van formaat, maar groot in betekenis. Op de eerste verdieping bevonden zich onze woonkamer, een slaapkamer en een zijkamertje. Boven op zolder was er een eenvoudige slaapkamer, een tussenruimte vol kolen, en een kamertje met dakkapel waar logés hun rust vonden. Het was geen luxe, maar het was ons thuis. Rond diezelfde tijd openden de scholen opnieuw hun deuren. De klaslokalen die ooit bezet waren door Duitse soldaten, werden weer gevuld met kinderlijk rumoer en krijt op schoolborden. De St. Thomasschool aan de Warande en de Technische School aan de Liduinastraat — inmiddels herbouwd — markeerden het begin van mijn educatieve pad.
Maar die schooljaren waren voor mij allerminst een onbezorgde tijd. Terwijl anderen vriendschappen sloten, leerde ik zwijgen. Ik was het mikpunt van pesterijen, dag in dag uit. De klappen kwamen even vaak fysiek als emotioneel, en de wereld keek weg. Je moest terugvechten of zwijgen — dat waren de opties. En dus zweeg ik. Toch beet ik me vast in mijn lessen en haalde ik mijn diploma’s. Die jaren leerden me iets kostbaars: doorzettingsvermogen in zijn rauwste vorm.Mijn eerste echte baan bracht ademruimte. Ik ging werken als leerling-etaleur, decorateur en lakschrijver bij Kofa Hofstee aan de Hoogstraat in Vlaardingen. In een team van vier vond ik een tweede thuis, een plek waar mijn creativiteit mocht bloeien en waar kameraadschap vanzelfsprekend was. Mijn collega's, onder wie Cor Heijnen en Willem van Wijk, werden meer dan werkmakkers – ze werden vrienden.
We organiseerden personeelsavonden vol vrolijkheid, en vaak vonden de voorbereidingen bij mij thuis plaats. Samen met Cor vormde ik een zangduo. Onze stemmen vulden de zalen, onze vriendschap de stiltes daartussen. Die jaren herinner ik me als lichtpuntjes in de naoorlogse tijd, vol dromen en muziek.Dagelijks fietste ik naar Vlaardingen – mijn trouwe tweewieler was niet zomaar vervoer, maar een symbool van vrijheid. Daarnaast verdiende ik bij door etalages en winkels  te decoreren, stands in te richten op beurzen, en mijn naam begon rond te zingen in het kleine wereldje van etaleurs. Toch verdween het meeste geld in de gezinskas – kostgeld, afbetalingen, noodzakelijkheden. Maar in plaats van verbittering, vond ik betekenis in mijn werk. Elke opdracht was een stukje van mijn onafhankelijkheid.Mijn liefde voor muziek vond al vroeg een klankbord in een blikken trommel, achtergelaten door geallieerden.
Mijn familie werd gek van mijn getrommel, maar ik vond er mijn hartslag in terug. Niet lang daarna sloot ik me aan bij de drumband van gymnastiekvereniging Excelsior in Schiedam.
In het najaar van 1946 beleefde ik mijn eerste publieke optreden. Mijn handen trilden als jonge berkenblaadjes in de wind, maar mijn ritme bleef onwrikbaar als een metronoom. Het was een bescheiden begin, maar voor mij voelde het als een sprong in het diepe — een eerste ontmoeting met het grote, betoverende rijk van de muziek.
Enige tijd later maakten we de overstap naar de harmoniemuziekvereniging St. Ambrosius. Waarom precies, weet ik tot op de dag van vandaag niet. Misschien was het toeval, misschien een ingeving, maar achteraf bleek het een zegen. Onder de bezielende leiding van dirigent de heer Heilker — ook een echte Schiedammer — ontplooide zich een nieuwe wereld voor mij.
Hij leerde mij niet één, maar meerdere instrumenten bespelen. Eerst de trompet, met haar heldere, soms trotse toon; daarna de klarinet, die zong als een menselijke stem; en uiteindelijk de saxofoon, mijn persoonlijke favoriet, warm en weemoedig tegelijk. Op de repetitieavonden van de Harmonie oefende ik met toewijding, ontdekte ik het slagwerk en leerde ik de subtiele kracht van ritme en timing kennen.
Het lezen van muziek werd al snel een tweede natuur, een vanzelfsprekendheid die hoorde bij het ambacht. Geen avond sloeg ik over, zeker niet wanneer er informatiebijeenkomsten werden gehouden over muziektheorie en instrumentkennis. Die werden vaak geleid door Gijsbert Nieuwland, de directeur van de Marinierskapel — een man die sprak over muziek alsof het een levende, ademende ziel had.
Die avonden, gevuld met tonen, verhalen en vriendschap, vormden de basis van mijn muzikale leven. Wat begon met trillende handen, groeide uit tot een hart dat voor altijd in maat en melodie zou kloppen.
Een man wiens woorden me nog lang bijbleven.Mijn muzikale horizon bleef zich verruimen. Gitaarles volgde bij de exotisch klinkende Tijm Pancalilli – misschien is dat niet zijn echte naam, maar zo is het in mijn geheugen blijven hangen. Dankzij hem mocht ik invallen in een hawaiiband, een bijzondere ervaring die me op andere podia bracht.Bij St. Ambrosius ontwikkelde ik me tot muzikale clown. Samen met het orkest trad ik op voor huisvrouwenverenigingen, vakbonden en feestcomités. Thuis werd ik geholpen met mijn kostuums – een liefdevolle steun die mijn optredens extra glans gaf. En mijn gitaar? Die kreeg een eigen stem dankzij een versterker die ik zelf bouwde, met slechts een beetje kennis van radio-elektronica en een flinke portie doorzettingsvermogen. Het resultaat: een 80-watt versterker die niet alleen muziek, maar ook mijn dromen versterkte.
Diezelfde creatieve geest uitte zich ook in een onverwachte liefde: vogels. Op een verjaardag kreeg ik een bandvink, een klein tropisch vogeltje met een groot stemgeluid. Maar ik kon het niet aanzien dat hij alleen zat. Al snel volgde een partner. Toen een derde vogel zijn intrede deed, wist ik: het kooitje was te klein. Ik begon te timmeren, bouwde een grotere kooi, toen nog een... en uiteindelijk een volière. Twaalf vogels woonden er, elk met hun eigen lied. Mijn oom Dirk Schepen, een begaafd kunstschilder, gaf de volière een betoverende achtergrond: een geschilderd landschap dat de vogels omarmde met kleur. Een kunstwerk op zichzelf – al weet ik niet waar het gebleven is. Het verdween, stil en ongemerkt, zoals sommige herinneringen dat doen.
Slotgedachte In die jaren na de oorlog, tussen kolenkamers en tromgeroffel, tussen pestkoppen en podia, groeide ik op. Niet zonder littekens, maar met een diepe waardering voor muziek, vriendschap, en de kleine geneugten van het leven. Ik was geen held, geen ster. Maar ik was er. Ik leerde, ik worstelde, ik vond vreugde in klanken en kleuren.En ik blijf spelen – al is het nu misschien alleen nog in mijn herinnering
Terug naar de inhoud